Het handelsrecht in de praktijk

Het handelsrecht in de praktijk

Europese Erecode inzake Franchising

Op 21 september jl. wees de Hoge Raad een interessant arrest (ECLI:NL:HR:2018:1696) over de toepasselijkheid en rechtskracht van de Europese Erecode inzake Franchising (EEF) in een geschil tussen een franchisenemer en franchisegever van een bekende supermarktketen.
Zoals in zoveel geschillen tussen franchisegever en franchisenemer was ook hier in het geding dat de franchisenemer de franchisegever ervan beschuldigde verkeerde omzetprognoses te hebben gegeven in de pre-contractuele fase.
Op grond van EEF dient de franchisegever alle informatie en overige gegevens in de pre-contractuele fase ter beschikking te stellen aan de franchisenemer. Interessant in deze uitspraak was de rechtsvraag of de EEF, in feite een gedragscode tussen franchisegever en franchisenemer, in de onderlinge contractuele verhoudingen door zou moeten werken ondanks het feit dat partijen niet waren overeengekomen dat de EEF van toepassing zou zijn.

De franchisenemer stelde dat de EEF in Nederland een algemeen geldende rechtsovertuiging als bedoeld in art. 12 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek zou omvatten en dat op grond van de werking van de redelijkheid en billijkheid en de maatschappelijke zorgvuldigheid deze zou moeten ‘doorwerken’ in de contractuele relatie tussen franchisenemer en franchisegever. De Hoge Raad oordeelde dat de EEF niet zonder meer kan worden aangemerkt als een in Nederland geldende rechtsovertuiging. Kort en goed: de EEF had geen geldende rechtskracht en de franchisenemer kreeg in dit geval géén gelijk.

Indien u meer wilt weten over (de juridische aspecten van) franchising, dan kunt u contact opnemen met Leroux Advocatuur.

Comments are closed.