Het handelsrecht in de praktijk

Het handelsrecht in de praktijk

Bent u door COVID-19 gehouden aan een betalingsverplichting uit een contract?

Sinds het uitbreken van de Coronapandemie (COVID-19) en de dientengevolge van overheidswege opgelegde maatregelen (de intelligente lockdown) worden ondernemers en ondernemingen geconfronteerd met onverwachte financiële tegenvallers. In het contractenrecht (algemeen verbintenissenrecht) en het huurrecht kan de vraag worden gesteld hoe ‘hard’ een bepaalde afspraak of betalingsverplichting is, welke door partijen in het contract werd overeengekomen.

Leroux Advocatuur vond een aantal interessante en recent door de rechtspraak gepubliceerde uitspraken die (voorlopig) antwoord kunnen geven op de vraag: “Kan aan een overeengekomen betalingsverplichting worden getornd door de Coronacrisis?”.

De uitkomsten zijn wisselend. Wel kan op basis van een aantal gerechtelijke uitspraken vooralsnog worden aangenomen dat het door de bank genomen zeker niet eenvoudig is om (deels) onder betalingsafspraken uit te komen. Echter, geheel onmogelijk lijkt het nu ook weer niet. Aangeraden wordt om altijd eerst het overleg te zoeken naar een onderlinge minnelijke oplossing, die de toets van de redelijkheid en billijkheid kan doorstaan om zo de financiële pijn tussen partijen te verdelen. Lukt dat echt niet, dan kan onder bepaalde omstandigheden (welke van geval tot geval moeten worden beoordeeld) een gang naar de rechter uitkomst bieden.

De eerste uitspraak betreft een huurgeschil tussen Vitesse en de vennootschap die voor de gemeente Arnhem het Gelredome exploiteert, zie (ECLI:NL:RBGEL:2020:2768). In deze kwestie werd (kort gezegd) door Vitesse geëist dat de huur voor het gebruik van het stadion zou worden verminderd/opgeschort. Daarbij werd een beroep gedaan op een gebrek in de zin van art. 204 lid 2 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en onvoorziene omstandigheden. De rechter oordeelde (voorshands) dat Vitesse onvoldoende had onderbouwd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was om Vitesse te houden aan de huurbetalingsverplichting en dus werd Vitesse gehouden aan haar huurbetalingsverplichtingen. Wel oordeelde de rechter dat de Coronacrisis een onvoorziene omstandigheid is als bedoeld in artikel 258 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en ook een gebrek in de zin van art. 7:204 lid 2 BW, zoals door Vitesse betoogd. Kort en goed: misschien was de uitspraak gunstiger voor Vitesse uitgevallen als zij beter haar penibele financiële situatie en financiële toekomstperspectief had onderbouwd.

De volgende uitspraak is een kwestie die in het Engels werd gevoerd bij de Netherlands Commercial Court (NCC) te Amsterdam, zie (ECLI:NL:RBAMS:2020:2406). Het betrof hier geen huurkwestie, maar een afgebroken overname van de aandelen van een bedrijf in springpaarden. In een eind 2019 getekende Letter of Intent (LOI) was tussen koper en een Amerikaanse verkoper van de aandelen een boeteclausule (break-up-fee) van EUR 30 mio bedongen indien koper en verkoper niet uiterlijk voor 2 maart 2020 een zgn. Transaction Agreement zouden hebben getekend. De koopprijs voor de overname van de aandelen bedroeg EUR 169 mio. Door de Coronacrisis kwam de deal in gevaar en koper wilde de aandelen niet meer overnemen. Uiteindelijk oordeelde de NCC dat koper -ondanks de coronacrisis en de door koper terecht aangevoerde onvoorziene omstandigheden- toch gebonden was aan het boetebeding en dus moest betalen, omdat de deal niet door kon gaan. De NCC oordeelde dat het boetebeding enkel tot aanpassing zou hebben kunnen leiden als het voor de ene partij als absoluut onredelijk zou kunnen worden beschouwd.

In een weer andere kwestie over een huurovereenkomst tussen een professionele vastgoedverhuurder en bierbrouwer Inbev als huurder van een pand met een cafébedrijf, zie (ECLI:NL:RBNNE:2020:1979) had Inbev als huurder meer succes. Inbev verhuurde het pand waar een cafébedrijf in was gevestigd onder aan een exploitant van het café. Hier oordeelde de rechter dat de huur gedeeltelijk verminderd zou moeten worden. Het cafébedrijf kon door de Coronacrisis niet worden geëxploiteerd. De kantonrechter oordeelde dat de verhuurder nogal star vasthield aan een integrale 100% betalingsplicht van de huur door Inbev. Omdat ook elk voorstel van huurder tot overleg met verhuurder door verhuurder van de hand werd gewezen, werd de huurprijs op voet van een gebrek deels verminderd. Wat Inbev als huurder ook wel hielp, was dat er sprake was van een oud ROZ model met oude Algemene Bepalingen. Daarin was (nog) niet opgenomen dat huurverlaging wegens een gebrek werd uitgesloten.

Er zullen ongetwijfeld nog veel meer uitspraken volgen over de Coronacrisis als onvoorziene omstandigheid. Wilt u meer weten over uw (huur)contract en de betalingsverplichtingen in het licht van de Coronacrisis, neem dan contact met ons op.

Comments are closed.